Tijdens haar presentatie ter gelegenheid van de ontvangst van de Claude Bernard Award, een prijs voor haar levenslange bijdrage aan het diabetesonderzoek, gaf Anette-Gabriele Ziegler een overzicht van de grote geboortecohorten BABYDIAB, DIPP, DAISY en TEDDY waarbij zij betrokken was. Deze cohorten zijn cruciaal gebleken voor ons begrip van de rol van autoantistoffen bij de ontwikkeling van type 1-diabetes en liggen mede aan de basis van de huidige discussie over screening.
Eilandjesauto-immuniteit ontstaat vaak al rond de leeftijd van 2 tot 3 jaar, waarbij insuline-autoantistoffen meestal als eerste verschijnen. Kinderen met twee of meer eilandjesautoantistoffen hebben een zeer hoog risico op het ontwikkelen van type 1-diabetes, met een kans van meer dan 80% binnen 20 jaar. Kinderen met slechts één autoantistof ontwikkelen daarentegen zelden diabetes. Sterker nog, bij ongeveer 60% zijn deze autoantistoffen vijf jaar later niet meer aantoonbaar.
Een belangrijke en fascinerende bevinding is bovendien dat niet alle autoantistoffen gelijk zijn: IA-2-antistoffen voorspellen een snellere progressie naar type 1-diabetes dan GAD-antistoffen. Naast autoantistoffen kunnen ook genetische risicoscores helpen om kinderen met een verhoogd risico vroegtijdig te identificeren.
Deze kennis heeft geleid tot een populatiescreeningstudie: FR1DA. Hierin werden kinderen uit de algemene bevolking gescreend op drie autoantistoffen. Kinderen met twee of drie positieve autoantistoffen, bevestigd bij herhaalde metingen, werden geclassificeerd als ‘vroege diabetes’.
Deze aanpak behaalde een sensitiviteit van 81,5% en een specificiteit van 99,8%. Screening leidde bovendien tot minder ziekenhuisopnames en een mildere presentatie bij de diagnose. Opvallend was dat screening uitsluitend op basis van een eerstegraadsfamiliegeschiedenis slechts 13,1% van de toekomstige gevallen zou hebben geïdentificeerd. De meeste kinderen die later type 1-diabetes ontwikkelen, hebben dus geen aangedane eerstegraadsverwant.
Prof. Ziegler eindigde haar lecture met een duidelijke boodschap over de klinische relevantie van deze bevindingen. Screening verschuift de diagnose van type 1-diabetes naar een preklinisch stadium. Dit maakt nauwkeurigere risicostratificatie mogelijk en vergroot de kansen om toekomstige ziektemodificerende behandelingen tijdig in te zetten. Tegelijkertijd vormt dit ook de grote uitdaging voor het veld. Inmiddels zijn meerdere strategieën onderzocht, waarvan sommige de periode tot de klinische diagnose kunnen verlengen. De hoop is dat we uiteindelijk behandelingen vinden die type 1-diabetes bij risicopersonen kunnen voorkomen.
