Dat continue glucosemonitoring (CGM) de dagelijkse diabeteszorg heeft veranderd, staat buiten kijf. Tijdens meerdere presentaties werd echter een volgende stap zichtbaar: sensorgegevens blijken niet alleen de glykemische controle weer te geven, maar voorspellen ook complicaties, ziekenhuisopnames en sterfte. Bovendien lijkt het gebruik van CGM zelf geassocieerd met betere klinische uitkomsten. De rode draad door de verschillende presentaties op de EASD was dan ook dat CGM steeds meer verschuift van een monitoringsinstrument naar een integraal onderdeel van preventie en behandeling.
Grote Zweedse registerstudie koppelt CGM-metrieken aan harde klinische uitkomsten
Een van de meest indrukwekkende datasets kwam uit Zweden, waar onderzoekers gegevens uit het nationale diabetesregister combineerden met CGM-uitkomsten. Tussen 2018 en 2024 werden 47.998 mensen gevolgd. De gemiddelde leeftijd bedroeg 37,9 jaar, 44% was vrouw en de gemiddelde diabetesduur was 22 jaar.
De onderzoekers relateerden verschillende CGM-metrieken aan het optreden van retinopathie, albuminurie, diabetesgerelateerde voetcomplicaties, cardiovasculaire ziekte, amputaties van de onderste extremiteit en mortaliteit. Daarbij werden Time in Range (TIR), gemiddelde glucosewaarde, Time Above Range (TAR), Time Below Range (TBR), glucosevariabiliteit (uitgedrukt als standaarddeviatie en coëfficiënt van variatie [CV]) en HbA1c met elkaar vergeleken.
De boodschap was opvallend consistent: vrijwel alle glykemische CGM-maten voorspelden zowel microvasculaire als macrovasculaire complicaties.
Microvasculaire complicaties
De gepresenteerde analyses lieten zien dat een lagere TIR en hogere gemiddelde glucosewaarden samenhingen met een verhoogd risico op retinopathie, albuminurie en diabetesgerelateerde voetcomplicaties.
Voor retinopathie waren de associaties van TIR, gemiddelde glucose, TAR en HbA1c grotendeels vergelijkbaar. Opvallend was dat glucose-CV duidelijk zwakkere associaties liet zien dan de overige glykemische maten. Hetzelfde patroon werd gezien voor albuminurie en voetcomplicaties.
Bij proliferatieve retinopathie en laserbehandeling bleken TIR, gemiddelde glucose en TAR zelfs iets sterkere voorspellers dan HbA1c. Dat ondersteunt de gedachte dat CGM-maten niet slechts surrogaatmarkers zijn, maar daadwerkelijk informatie bevatten over het complicatierisico.
Macrovasculaire complicaties
Ook voor cardiovasculaire uitkomsten waren de associaties robuust. Een lagere TIR hing samen met een hoger risico op een samengestelde cardiovasculaire uitkomstmaat, coronaire hartziekte, beroerte en hartfalen. De sterkte van deze associaties was vergelijkbaar met die van HbA1c.
Opvallend was opnieuw dat glucosevariabiliteit, gemeten als CV, duidelijk minder informatief leek dan TIR, gemiddelde glucose en TAR. Waar TIR, gemiddelde glucose en HbA1c consequent hazardratio’s rond 1,3 tot 1,5 lieten zien, waren de effecten van glucose-CV veel bescheidener.
Sterkste relatie met amputaties
Volgens de onderzoekers werden de krachtigste associaties gevonden voor amputaties van de onderste extremiteit. Vrijwel alle glykemische maten, met uitzondering van glucose-CV, vertoonden hier sterkere verbanden dan voor cardiovasculaire uitkomsten.
Dat is klinisch relevant, omdat amputaties vaak het eindpunt vormen van een combinatie van neuropathie, perifere vaatziekte en wondproblemen. De resultaten suggereren dat langdurige blootstelling aan hyperglykemie, zoals zichtbaar in meerdere CGM-maten, nauw samenhangt met dit risico.
Ook mortaliteit voorspeld door sensordata
Misschien wel het meest opvallende onderdeel van de presentatie waren de mortaliteitsgegevens.
Alle onderzochte glykemische maten, inclusief CV, bleken geassocieerd met zowel totale als cardiovasculaire sterfte. Voor totale mortaliteit werden de sterkste associaties gezien voor TIR, gevolgd door HbA1c, gemiddelde glucose en TAR. Zelfs glucosevariabiliteit bleef significant geassocieerd met sterfte, hoewel de effectgrootte duidelijk kleiner was. Niet duidelijk werd of CV bij een gelijkwaardige TIR toegevoegde waarde heeft.
Een vergelijkbaar patroon werd gezien voor cardiovasculaire mortaliteit. Daarmee laten de data zien dat sensorafgeleide uitkomstmaten minstens vergelijkbare prognostische informatie bevatten als HbA1c.
Een opvallende omissie was overigens het ontbreken van gegevens over Time in Tight Range (TITR), een maat waarvoor de laatste jaren groeiende belangstelling bestaat.
CGM-gebruik geassocieerd met lagere sterfte bij oudere mensen met type 1-diabetes
Dat CGM niet alleen prognostische informatie levert, maar mogelijk ook daadwerkelijk uitkomsten verbetert, bleek uit een studie onder meer dan 8.000 oudere mensen met type 1-diabetes.
In deze analyse werden patiënten geïncludeerd die tussen 2017 en 2020 binnen zes maanden na hun eerste bezoek aan een endocrinoloog met CGM startten. Gedurende de follow-up bleek CGM-gebruik geassocieerd met een significante afname van de mortaliteit. Dit voordeel bleef gedurende minimaal 48 maanden zichtbaar.
Hoewel observationele studies uiteraard geen causaal verband kunnen aantonen, ondersteunen deze gegevens het idee dat CGM meer is dan enkel een meetinstrument. Door vroegtijdige signalering van hypo- en hyperglykemieën, verbetering van zelfmanagement en intensievere betrokkenheid bij de behandeling zou CGM zelf kunnen bijdragen aan een betere overleving.
De presentatie leidde tot de interessante discussie of CGM inmiddels beschouwd moet worden als een therapeutische interventie in plaats van uitsluitend een diagnostisch hulpmiddel.
Minder ziekenhuisopnames bij insulinebehandelde type 2-diabetes
Vergelijkbare signalen kwamen naar voren uit een grote real-worldanalyse bij mensen met insulinebehandelde type 2-diabetes.
Tussen april 2022 en juli 2023 werden gegevens verzameld van 15.413 patiënten uit de dagelijkse praktijk. Het betrof een populatie met aanzienlijke comorbiditeit: meer dan 80% had hypertensie en meer dan 30% chronische nierschade.
CGM-gebruik ging gepaard met een indrukwekkende daling van acute diabetesgerelateerde ziekenhuisopnames. De onderzoekers rapporteerden een reductie van ongeveer 63% in acute opnames.
Daarnaast werden ongeveer 6% minder cardiovasculaire ziekenhuisopnames gezien en traden ook minder cardiovasculaire events op, waaronder myocardinfarcten en cerebrovasculaire accidenten.
Hoewel de precieze mechanismen nog niet volledig duidelijk zijn, suggereren deze resultaten dat betere glykemische controle en tijdige interventie bij ontregelingen zich kunnen vertalen in minder zorggebruik en mogelijk ook minder cardiovasculaire schade.
RT-CGM vermindert DKA-gerelateerde ziekenhuiszorg
Ook voor acute complicaties werden overtuigende gegevens gepresenteerd.
In een retrospectieve Amerikaanse studie met gebruikers van Dexcom G-serie-sensoren werd gekeken naar DKA-gerelateerde ziekenhuisopnames en bezoeken aan de spoedeisende hulp. De analyse omvatte 1.888 kinderen (gemiddelde leeftijd 11 jaar) en 7.808 volwassenen (gemiddelde leeftijd 44 jaar) tussen 2020 en 2024.
Bij kinderen werd een relatieve afname van maar liefst 83% in DKA-opnames gezien na de start van real-time CGM.
Ook bij volwassenen daalde het aantal ziekenhuisopnames substantieel. Het aantal DKA-opnames nam af van 715 vóór de start van RT-CGM naar 501 tijdens de follow-upperiode.
Deze resultaten passen bij eerdere studies waarin alarmfuncties en continue inzage in glucosetrends leidden tot eerdere herkenning van dreigende ontregeling.
Nieuwe voorspellende rol voor Time Above 140
Naast de klassieke CGM-uitkomstmaten was er veel aandacht voor Time Above 140 mg/dL (7,8 mmol/L).
Richard Bergenstal betoogde dat TA140 mogelijk een gevoelige marker is voor het identificeren van personen met prediabetes of vroege dysglykemie. Volgens hem ligt er bovendien potentieel in het combineren van dergelijke sensormaten met andere klinische kenmerken, zoals CV, bijvoorbeeld via AI-modellen, om toekomstige diabetes nog nauwkeuriger te voorspellen.
Glucosevariabiliteit voorspelt progressie naar stadium 3 type 1-diabetes
Een van de meest interessante presentaties kwam van Laura Pyle, die data presenteerde uit het DAISY-cohort en DKNET.
Met behulp van joint modelling werd onderzocht welke CGM-parameters progressie naar stadium 3 type 1-diabetes voorspellen.
Opvallend genoeg verschilden de gemiddelde glucosewaarden nauwelijks tussen personen die uiteindelijk progressie vertoonden en personen die dat niet deden. Glucosevariabiliteit bleek daarentegen veel informatiever.
Zowel de standaarddeviatie van glucosewaarden als de coëfficiënt van variatie waren consistente voorspellers van progressie naar klinisch manifeste type 1-diabetes, onafhankelijk van HbA1c.
Daarnaast presteerde Time Above 140 mg/dL beter dan gemiddelde glucose voor het detecteren van personen die op weg waren naar stadium 3-diabetes.
Vroege identificatie van deze groep kan klinisch relevant zijn. Snellere herkenning van progressie biedt immers kansen om DKA bij diagnose te voorkomen en mogelijk tijdig ziektemodificerende interventies in te zetten.
Conclusie
Gezamenlijk laten deze presentaties een duidelijke ontwikkeling zien. CGM-metrieken blijken sterk geassocieerd met microvasculaire complicaties, cardiovasculaire ziekte, amputaties en mortaliteit. Tegelijkertijd stapelen de aanwijzingen zich op dat daadwerkelijk gebruik van CGM leidt tot minder DKA, minder ziekenhuisopnames, minder cardiovasculaire gebeurtenissen en mogelijk zelfs een lagere sterfte.
Waar HbA1c jarenlang de dominante maat voor glucoseregulatie was, lijkt het tijdperk van sensorgebaseerde risicostratificatie definitief aangebroken. Vooral TIR, TAR en mogelijk ook TA140 ontwikkelen zich tot klinisch relevante parameters die niet alleen de huidige glucoseregulatie beschrijven, maar ook inzicht geven in toekomstige risico’s. CGM wordt daarmee steeds meer een instrument dat niet alleen meet wat er gebeurt, maar mogelijk ook helpt bepalen wat er gaat gebeuren.
